Nieuws

Werkdrukakkoord primair onderwijs

Minister Slob en het PO-front hebben op 9 februari 2018 een akkoord bereikt over de beschikbaarstelling van het extra geld om de werkdruk tegen te gaan. In het werkdrukakkoord is afgesproken dat scholen in het primair onderwijs met ingang van het komend schooljaar €237 miljoen extra krijgen om werkdruk aan te pakken. In het schooljaar 2021-2022 is dit bedrag opgelopen tot €430 miljoen. Een gemiddelde school van 225 leerlingen krijgt volgend schooljaar circa €35.000 extra, oplopend tot €65.000 in schooljaar 2021-2022 en volgende jaren. Scholen kunnen op de websites van de sociale partners (waaronder de PO-Raad) uitrekenen hoeveel extra geld zij precies krijgen.

Scholen beslissen over de inzet van de middelen
Werkdruk verschilt van school tot school. Er liggen verschillende oorzaken aan ten grondslag. Daarom bepalen schoolteams en schoolleiders gezamenlijk welke maatregelen om werkdruk tegen te gaan op hun school zullen worden ingezet. Zowel het PO-front als minister Slob vinden het belangrijk dat het extra geld daadwerkelijk wordt besteed aan de vermindering van werkdruk. Daarom krijgen de leraren in de medezeggenschapsraad instemmingsrecht op de besteding van het extra geld. Alle scholen en schoolbesturen ontvangen deze week een brief van de minister met meer informatie over de extra middelen uit het werkdrukakkoord. Tevens ontvangen scholen een handreiking en praktijkvoorbeelden van de sociale partners over hoe ze praktisch aan de slag kunnen gaan met het werkdrukakkoord.

Trots op resultaat
Alle partijen die samenwerken in het PO-front (PO-Raad, Algemene Onderwijsbond, Algemene Vereniging Schoolleiders, CNV Onderwijs, Federatie van Onderwijsvakorganisaties, FNV en PO in Actie) en minister Slob zijn trots op het werkdrukakkoord. De algemene conclusie is dat het onderwijs hier hard voor heeft geknokt. Doordat dit geld nu al beschikbaar komt, kan de werkdruk op basisscholen verminderen. Dat is winst voor leraren en voor leerlingen. Zij moeten het verschil gaan merken in de klas.

Bron: Rijksoverheid