Nieuws

Schoolbestuur primair onderwijs presteert beter

Utrecht, 28 februari 2011. De professionaliteit en de kwaliteit van de schoolbesturen in het primair onderwijs zijn de laatste jaren gestegen, terwijl de schoolbesturen daar niet meer geld aan uitgeven. Met 3,7 procent van de totale begroting is de situatie ten opzichte van 2006 niet significant veranderd. Dit blijkt uit onderzoek van het ITS / Radbout Universiteit Nijmegen. Het beeld van dure bestuursbureaus en van grote overhead klopt dus niet voor de sector primair onderwijs. In het ITS onderzoeksrapport Bestuur en Management staat beschreven dat het bovenschoolse bestuursbureau in het primair onderwijs taken vervult op het gebied van personeelszaken, ICT-beleid, huisvestingsbeleid, kwaliteitsbeleid en met name financiën. Over het algemeen zijn de meningen over de bestuursbureaus positief: ze vangen werk af voor de scholen door gemeenschappelijke werkzaamheden efficiënter en beter te organiseren. Zo stellen ze schoolleiders en leerkrachten in staat hun tijd te besteden aan het onderwijs zelf. Onlangs schreef minister Van Bijsterveldt dat in het primair onderwijs gemiddeld slechts 2,7% van het personeel op het bovenschools bureau werkt (zie antwoorden op vragen van Tweede Kamerlid M. Celik, referentie 259967). Kete Kervezee, PO-Raad: "Het is goed dat nu ook in onderzoek is vastgesteld dat het primair onderwijs geen sector is met een duur bestuursbureau en een grote overhead. Het is een enorme prestatie dat de sector met zo weinig overhead zo goed functioneert.” Bekostiging bestuursbureaus Toen de lumpsum in het primair onderwijs in 2006 werd ingevoerd, heeft het schoolbestuur ook meer taken en verantwoordelijkheden gekregen, die voorheen bij het ministerie belegd waren. Er is toen structureel 90 miljoen euro toegevoegd aan de lumpsum om de nieuwe taken en verantwoordelijkheden op bestuursniveau te vervullen (zo’n 1% van de lumpsum). Hieruit hebben de besturen hun bovenschoolse voorzieningen betaald. Tot 1 augustus 2010: toen zijn deze middelen voor bestuur & management wegbezuinigd. Een bezuiniging van 90 miljoen op de lumpsum betekent een korting van zo’n 30 procent op de begroting van het bestuursbureau. De onderzoekers schrijven daarover: “Als de besturen en hun ondersteunende bureaus dezelfde kwaliteit willen behouden, ontkomen ze er niet aan om hetzij taken af te stoten of uit te kleden, hetzij meer gelden te onttrekken aan middelen die eigenlijk voor de scholen zijn bestemd. Het eerste gaat ten koste van de kwaliteit van de dienstverlening en het tweede mogelijkerwijs van de kwaliteit van het onderwijs”. De leerlingen ondervinden hier altijd last van. Cumulatie van bezuinigingen / onzekere toekomst Het afgelopen jaar zijn er in het primair onderwijs diverse bezuinigingen doorgevoerd, zoals: bezuinigingen op het budget van bestuur en management (90 miljoen), de bezuiniging op de groeiregeling (46 miljoen), de bevriezing van het budget speciaal onderwijs op het niveau 2008 (oplopend tot 76 miljoen) en de ontoereikende bekostiging van de materiële instandhouding (ca. 200 miljoen). Maar in dit kader moet ook in ogenschouw worden genomen de ‘sluipende’ bezuiniging als gevolg van personele lasten die harder stijgen dan de personele bekostiging, de ophanden zijnde bezuiniging op Passend onderwijs (300 miljoen), de bezuiniging op de onderwijsachterstanden (50 miljoen), dalende inkomsten als gevolg van de forse krimp, gemeentelijke bezuinigingen, bezuinigingen op jeugdzorg die de problematiek in de klas en op de school verzwaren, miljoenenbezuinigingen op incidentele subsidies. De opeenstapeling van bezuinigingen brengt de kwaliteit van het onderwijs en de continuïteit van de schoolorganisaties in gevaar. Schoolbesturen moeten overgaan tot drastische maatregelen als ontslag, grotere klassen, minder begeleiding, langer wachten met vervanging van lesmateriaal, et cetera. Interen op reserves Uit de jaarrekeningen 2009, die vorige maand naar de Tweede Kamer werden gestuurd, blijkt dat schoolbesturen die dat nog kunnen, interen op hun reserves. Ze maken goed gebruik van de reserves om met hun geld uit te komen. Daarnaast wordt er vanuit de reserves meer geïnvesteerd in het onderwijs. Hierdoor kunnen schoolbesturen de gevolgen van de bezuinigingen tijdelijk verzachten. Er zijn echter ook veel scholen die geen geld achter de hand hebben, terwijl ook zij te maken hebben met de reeds ingevoerde en de komende bezuinigingen. Bron: PO-Raad