Nieuws

Overleg ministerie van OCW en de Raad voor de Jaarverslaggeving over de Voorziening Groot Onderhoud

Inleiding
Met ingang van 1 januari 2019 is de mogelijkheid om groot onderhoud direct ten laste van de exploitatie te brengen vervallen. Daarbij kwam naar voren dat veel besturen (voornamelijk in het PO en het VO), die al een voorziening voor groot onderhoud vormden, de afgelopen jaren een andere interpretatie gaven aan RJ 212.451 en 212.452 dan de Raad voor de Jaarverslaggeving voor ogen staat. Hoewel dit de afgelopen jaren niet stelselmatig heeft geleid tot afkeurende verklaringen van de controlerende accountants heeft de Werkgroep Onderwijs van de Nederlandse Beroepsorganisatie van de Accountants geconstateerd dat de wijze waarop deze groep besturen de vorming van de voorziening interpreteren, in de toekomst mogelijk wel zal leiden tot foutherstel of bij het achterwege blijven daarvan tot anders dan goedkeurende controleverklaringen.

Wat speelt er? 
De Richtlijnen voor de jaarverslaggeving gaan uit van het gelijkmatig opbouwen van de voorziening groot onderhoud per gebouw én per onderhoudscomponent tussen de momenten van het uitvoeren van het groot onderhoud (onderhoudscyclus). Een aanzienlijke groep besturen (voornamelijk in het PO en het VO) die gebruik maakt van een voorziening groot onderhoud hanteert echter een methodiek waarbij de kosten over het gehele onderhoudsplan van de onderwijspanden worden bepaald en deze vervolgens wordt gedeeld door de looptijd van het onderhoudsplan. Deze systematiek leidt ertoe dat er jaarlijks weliswaar een min of meer gelijkblijvende dotatie aan de voorziening groot onderhoud wordt gedaan, maar dat deze te laag of te hoog van omvang kan zijn in vergelijking met de RJ methodiek. Er wordt namelijk geen rekening gehouden met individuele onderhoudscomponenten met onderhoudscycli die doorlopen tot na de periode van de huidige onderhoudsplanning.

Wat gaan we doen?
Het nu zonder meer en direct juist toepassen van de Richtlijnen van de Raad voor de Jaarverslaggeving stuit bij een groot aantal onderwijsbesturen (voornamelijk in het PO en het VO) en de betrokken sectorraden op problemen. Het gaat om de praktische uitvoerbaarheid op korte termijn, de complexiteit van de materie en het effect op het eigen vermogen. Hoewel door deze aanpassing de daadwerkelijke uitgaven aan groot onderhoud niet zullen toenemen, kan het negatieve effect zijn dat een aantal besturen minder middelen besteedt aan het primair proces om daarmee het eigen vermogen op peil te houden.

De Raad voor de Jaarverslaggeving heeft begrip voor deze problematiek die bij een deel van de schoolbesturen zou kunnen ontstaan bij een juiste toepassing van de richtlijnen over het verslagjaar 2018. De Raad kan zich vinden in een tijdelijke aanpassing van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs voor de verslagjaren 2018 en 2019.

De tijdelijke aanpassing van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs is van toepassing op besturen die voor verslagjaar 2017 een methode van kostenegalisatie voor groot onderhoud hanteerden zoals hierboven beschreven. De tijdelijke aanpassing geldt niet voor besturen die de voorziening voor groot onderhoud reeds in overeenstemming met RJ 212.451 en 452 bepaalden.

Daarbij is afgesproken dat de RJ-werkgroep Onderwijs van de Raad voor de Jaarverslaggeving in samenwerking met de sectorraden in de komende maanden een onderzoek uitvoert. De werkgroep zal hierbij worden ondersteund door een aantal betrokken schoolbesturen. Doel van dit onderzoek is te komen tot een verwerkingswijze in 2020 die aansluit bij de Richtlijnen van de Raad voor de Jaarverslaggeving waarbij rekening wordt gehouden met onderwijssector-specifieke aspecten.

Bron: www.rijksoverheid.nl